Algemene uitvoeringsbepaling

1. ALGEMEEN

1.1 Ruimten waarin pleister- en schilderwerkzaamheden worden uitgevoerd, dienen dak- en glasdichtte zijn.

1.2 Alvorens met de werkzaamheden beschreven in het advies aan te vangen, het oppervlak schoon,stofvrij en vetvrij maken. Dit geldt eveneens voor het opbrengen van elke laag.Oppervlakteverontreinigingen verwijderen met daarvoor geëigende middelen.Reinigingsmiddelen mogen geen residuen achterlaten.

1.3 De geldigheidsduur van het advies is 1 jaar gerekend vanaf de adviesdatum.Worden de werkzaamheden later uitgevoerd of zijn de omstandigheden veranderd, dan isherbeoordeling noodzakelijk.

1.4 De applicateur verklaart bij aanvaarding van de opdracht, dat hij kennis heeft genomen van delaatst uitgegeven productkenmerkenbladen en productveiligheidsbladen, dat hij zich hiermeeverenigt en dat hij bij de uitvoering hiermee rekening houdt.

1.5 De omschreven werkzaamheden behoren te worden uitgevoerd door vakbekwaam personeel.

1.6 Onvolkomenheden aan het te behandelen bouwmateriaal herstellen in de structuur van deondergrond. Is dit niet geheel mogelijk, dan prevaleren de technische normen boven deesthetische. Bij voegafdichtingssystemen prevaleren in alle gevallen de technische eisen bovende esthetische.

1.7 Met bijwerken van bestaand werk rekening houden met het kleurverloop van de bestaande laagals gevolg van onder meer veroudering en milieu-invloeden.Geringe kleurverschillen tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ zijn dientengevolge niet altijd te vermijden.

1.8 Bij het uitvoeren van de geadviseerde werkzaamheden rekening houden met deweersgesteldheid, zodat de kwaliteit van het werk daaronder niet te lijden krijgt.

1.9 Doordat de opname van het werk steekproefsgewijs plaatsvindt, kunnen er in het werk incidenteelverborgen en/of niet gesignaleerde gebreken voorkomen. Hieruit voortvloeiende niet in het adviesomschreven werkzaamheden vallen buiten de verantwoordelijkheid van Sigma Coatings.

1.10 Begeleiding van werkzaamheden door Sigma Coatings ontslaat de applicateur niet van deverantwoordelijkheid voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden. De goedkeuring ressorteertte allen tijde onder de opdrachtgever of de hem vertegenwoordigende personen of instanties.

1.11 De applicateur is verantwoordelijk voor de naleving van wettelijke voorschriften op het gebied vanarbeidsomstandigheden en milieu.

1.12 Sigma Coatings is niet verantwoordelijk voor werkzaamheden aan bouwdelen die niet in haaradvies als zodanig zijn omschreven en kennelijk wel tot het werk behoren.

1.13 De temperatuur van de ondergrond behoort ten minste 3°C boven het dauwpunt te liggen(bij vloerafwerking ten minste 5°C).

1.14 Alle pleister- en verfmaterialen behoren op het werk aangeleverd te worden in gesloten origineleverpakking voorzien van duidelijke etiketten met de naam van het product.Voor de wijze van opslag wordt verwezen naar de productkenmerkenbladen.

1.15 Onder ondeugdelijke verflagen wordt verstaan: gebarsten, onvoldoende hechtende en/ofbladderende verflagen.

1.16 Na het gedeeltelijk verwijderen van verflagen, de verfranden zodanig schuren dat een vloeiende‘overgang’ naar de kale ondergrond wordt bereikt.

1.17 De kleur van grond- of voorlak afstemmen met de eindkleur.

1.18 Vóór het opbrengen van een volgende verflaag de ondergrond schuren of slijpen. Schuurstof ofslijpsel verwijderen. De (grond)verflaag niet ‘door’schuren.

1.19 Komt het buitenwerk niet gereed door een onwerkbare periode, dan de onvolkomenheden in dereeds aanwezige verflagen herstellen in het daarop volgende seizoen.

1.20 Het Basisverf- en glasbestek 2006 en/of de bepalingen van het hoofdbestek zijn van toepassing indie gevallen waarin deze algemene uitvoeringsbepalingen niet voorzien.

1.21 Voor het behoud van verfsystemen dient periodiek gereinigd te worden. Zie informatieblad 1328.

 

2. SCHILDERWERK OP HOUT

2.1 Houtsoorten met duurzaamheidklasse III en IV conserveren overeenkomstig KVT (Katern 31 en34): door totaalconservering of door plaatselijk aangebrachte conserveringscapsules conform derichtlijnen van de fabrikant.

2.2 Opslag van gevelelementen in de timmerfabriek behoort te voldoen aan KVT, Katern 71.Transport en opslag op de bouwplaats behoren te voldoen aan KVT, Katern 72.

2.3 Voor kwasten (noesten) en harsrijke delen gelden de kwaliteitseisen, zoals gesteld in de KVT,Katern 31. Bij kwasten die niet verwijderd hoeven te worden, kan verkleuring of onthechting vanhet verfsysteem plaatsvinden.

2.4 Vochtgehalte van hout niet hoger dan 18%.

2.5 Onder binnen-buitenwerk wordt verstaan: de binnenzijde van in buitengevels aangebrachteelementen. Tot het buitenwerk behoren de omkanten van de te behandelen naar buiten draaiendedelen, zoals ramen en deuren.

2.6 Het geheel of gedeeltelijk verwijderen van verflagen uitvoeren door schrapen, branden, afbijten,föhnen, schuren en dergelijke.Bij branden eventuele schroei- en brandplekken wegschuren tot op het gezonde hout.Bij afbijten aansluitend de ondergrond ontvetten.Zonodig de vlakheid van de ondergrond herstellen.Keuze voor bepaalde voorbehandelingsmethoden is aan de applicateur, inclusief de financiëleconsequenties

2.7 Beschadigingen aan bouwdelen die met verf zijn behandeld, zo snel mogelijk na aanvoer of na hetstellen op het werk bijwerken. Het bijwerken zodanig uitvoeren dat de oorspronkelijke laagdikte enkleurstelling wordt bereikt.

2.8 Bij stopverfzomen de verflagen aanbrengen tot circa 1 mm op het glas.Elastische kitten bij voorkeur niet overschilderen.

2.9 Het toepassen van plamuurlagen op buitenwerk tot het uiterste beperken.Bij buitenwerk de plamuur nooit slijpen.

2.10 Onvolledig uitgevoerde systemen die – om welke reden dan ook – gedurende een langere periodeoverstaan, reinigen en herstellen alvorens ze verder af te werken.

 

3. SCHILDERWERK OP METAAL

3.1 Het geheel of gedeeltelijk verwijderen van verflagen uitvoeren door schrapen, afbijten, schuren,stralen, hogedrukreiniging of dergelijke.Bij afbijten aansluitend de ondergrond ontvetten.Bij stralen straalstof verwijderen.Keuze voor bepaalde voorbehandelingsmethoden is aan de applicateur, inclusief de financiëleconsequenties.

3.2 Onder ontroesten wordt verstaan: het verwijderen van roest door middel van stralen of borstelen.De vereiste reinheidsgraad is afhankelijk van het toe te passen systeem.

3.3 Het verwijderen van (oplosbare) zinkzouten met zorg uitvoeren door hogedrukreiniging of doorniet-corroderend gereedschap, zoals Scotch-Brite, nylon borstels en schoon water. Het oppervlakaltijd grondig naspoelen en goed laten drogen.Nog onbehandeld thermisch verzinkt staal indien mogelijk vóór de start van schilderwerkzaamhedenaanstralen met een inert straalmiddel.Bij aluminium de oxide verwijderen, bij voorkeur door middel van mechanisch schuren of schurenmet Scotch-Brite.

3.4 Beschadigingen aan bouwdelen die met verf zijn behandeld, zo spoedig mogelijk na aanvoer of nahet stellen op het werk bijwerken. Het bijwerken zodanig uitvoeren dat de oorspronkelijkelaagdikte en kleurstelling wordt bereikt.

3.5 Onvolledig uitgevoerde systemen die – om welke reden dan ook – gedurende een langere periodeoverstaan, reinigen en herstellen alvorens ze verder af te werken.

 

4. SCHILDERWERK OP STEENACHTIGE ONDERGRONDEN

4.1 Steenachtige ondergronden behoren voldoende droog te zijn (vochtgehalte te meten met deProtimeter: de indicatie moet groen zijn).

4.2 Na het ontkisten alle losse betondelen, spijkers, bramen en uitsteeksels verwijderen.

4.3 Het drogingproces van de aan te brengen pleisters en verven kan negatief worden beïnvloedt doorhet vocht uit onder meer pas aangebrachte dekvloeren en spuitmortels. Dekvloeren enspuitmortels daarom aanbrengen ruim voor de start van het pleister- en/of schilderwerk.Zodra de dekvloeren en/of spuitmortels zijn afgebonden de ruimte conditioneren, bijvoorbeelddoor goede ventilatie en zonodig verwarming.Uiteindelijk behoort de te behandelen ondergronden voldoende te ‘absorberen’, waardoor eengoede verankering met de ondergrond wordt bereikt.

4.4 Metselwerk, pleisterwerk en soortgelijke ondergronden pas schilderen wanneer de ondergrondenaan de oppervlakte voldoende droog en, indien van toepassing, voldoende afgebonden en/of hardzijn en niet meer alkalisch reageren. Beschermingslagen op beton pas aanbrengen nadatcorrecties zijn uitgevoerd en deze voldoende droog, afgebonden en/of hard zijn.

4.5 Oppervlakteverontreinigingen, zoals, alg, mos, schimmels, vuil, vet, cementhuid en specierestentijdig verwijderen met daarvoor geëigende middelen.Reinigingsmiddelen mogen geen residuen achterlaten.

4.6 Het geheel of gedeeltelijk verwijderen van verflagen uitvoeren door schrapen, afbijten, schuren,stralen, hogedrukreiniging en dergelijke.Bij afbijten aansluitend de ondergrond ontvetten.Bij stralen straalstof verwijderen.Keuze voor bepaalde voorbehandelingsmethoden is aan de applicateur, inclusief de financiëleconsequenties.

4.7 Dilatatievoegen dienen hun functie te behouden. Niet wegwerken tenzij anders omschreven in hetadvies.

 

5. VOEGAFDICHTING

5.1 Rugvullingen mogen geen bitumen of teerachtige stoffen bevatten.Om vastklemmen te verzekeren, behoort de diameter van de rugvulling minimaal 1½ maal devoegbreedte te zijn.Voor het bepalen van de dikte van het kitbed, wordt bij toepassing van elastische en plastoelastischekitten uitgegaan van de volgende stelregel:dikte = 1/3 voegbreedte in mm + 6 mm (meet de dikte van het kitbed in het midden van de voeg).

5.2 De kitvoeg eerst met spaarzaam benat gereedschap goed aandrukken alvorens deze glad af testrijken.

5.3 Het zeepwater nodig voor het afwerken van kitvoegen, mag geen voor kitten agressieve stoffenbevatten, zoals citroenzuur en siliconenolie. Bij voorkeur natuurzeep gebruiken.

5.4 Beglazingssystemen dienen uitgevoerd te worden conform NEN 3576 en NPR 3577.

 

6. AFWERKING VAN VLOEREN

6.1 Dilatatievoegen moeten hun functie behouden, dus nooit wegwerken.Spontane dilataties (scheurvorming) in de afwerklaag uitsparen tenzij anders omschreven in hetadvies.

6.2 Minerale vloeren moeten na het aanbrengen ten minste 28 dagen verharden.

6.3 Het vochtgehalte van cementgebonden vloeren mag maximaal 4% zijn, gemeten volgens deCarbid-methode.Het vochtgehalte van calciumsulfaatgebonden vloeren mag maximaal 0,5% zijn, gemeten volgensde Carbid-methode.

6.4 Gladde en gesloten ondergronden vooraf opruwen door bijvoorbeeld stofvrij machinestralen,planetair diamantschuren, boucharderen of schuren met carborundum schuurschijven.Voor welke voorbehandeling ook wordt gekozen, het resultaat moet een voldoende verruwdoppervlak zijn.

6.5 Bij toepassing van een etsmiddel – zoals fosforzuur – aanwezig chroomwerk en andere hiervoorgevoelige materialen afdoende beschermen.Neem alle gebruiksvoorschriften van etsmiddelen in acht!

6.6 De te behandelen zandcementdekvloer controleren op hechting.Niet hechtende delen herstellen.

6.7 Niet vrijdragende vloeren isoleren, zodat het optrekken van vocht wordt uitgesloten.

6.8 Afwijkingen in de vlakheid van de vloer vaststellen met een stalen rij of een rechte houten lat.Bij gietvloeren mogen oneffenheden in de ondervloer niet meer bedragen dan 5 mm perstrekkende meter. Dit geldt eveneens voor het afschot of de totale afloop van de ondervloer.Afschot of afloop vaststellen met een speciale waterpas.

6.9 Vloeren die regelmatig worden belast met water en/of vloeistoffen – zoals balkon- en galerijvloeren- behoren voldoende op afschot te liggen zodat goten goed doorstromen en er geen plasvormingoptreedt. Er dient een gedegen waterafvoersysteem aanwezig te zijn.

6.10 Als op vloeren het risico van uitglijden aanwezig is, dan bij de applicatie van een kunststofvloereen antislipafwerking aanbrengen.De effectiviteit van antislipmateriaal wordt subjectief beoordeeld. Laat door een proefvlak ofproefpaneel de gebruiker eerst het effect beoordelen.

6.11 De belastbaarheid van de kunststofvloer is afhankelijk van de druksterkte van de draagvloer ofdekvloer. De druksterkte van de vloer moet in overeenstemming zijn met de optredende belasting.